Artikelen
HET STEDELIJK UTRECHTSCH TOONEELGEZELSCHAP, DE VOORLOPER VAN HET NOORDHOLLANDSCH TOONEEL.
auteur: Ad van der Logt |
Terug «
geplaatst: 5 april 2004
|
Aangemoedigd door het 'succes' van de Omroepspelers, zoekt Jan
C. de Vos jr. naar mogelijkheden om zijn plannen op artistiek gebied te verwezenlijken. Op 25
maart 1942 stuurt hij een brief naar de directie van de op 4 september 1941 geopende nieuwe
Utrechtse Stadsschouwburg met het verzoek om met een nieuw toneelgezelschap 'vaste bespeler'
van deze schouwburg te mogen worden. Een paar dagen later, op 1 april, wordt zijn aanvraag
in de Raad van Bestuur besproken. Principiële bezwaren heeft men niet, wel wordt
er een vage artistieke eis geformuleerd: het nieuwe gezelschap moet zich een waardig
bespeler van de Utrechtse schouwburg tonen. Om De Vos niet teleur te stellen, wordt er een
voorstel gedaan. Zijn gezelschap kan de schouwburg huren voor fl. 250,= per voorstelling.
Als de inkomsten per avond meer dan fl. 700,= bedragen, moet 10% van de nettorecette boven dat
bedrag worden afgedragen. De directeur van de schouwburg, mr. J. de Blieck, heeft een
afschrift van dit voorstel eveneens toegestuurd aan Frans Primo, het hoofd van de afdeling
Theater en Dans van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (voortaan DVK).
Deze heeft op 14 april 1942 samen met Jan C. de Vos jr. een bespreking op het stadhuis van Utrecht.
De organisatie van het Stedelijk Tooneelgezelschap krijgt gestalte. Het beheer over het nieuwe
gezelschap wordt toebedeeld aan de gemeentelijke overheid, in overleg met en onder toezicht van
het DVK en met financiële steun van het Rijk1. Dat het dit keer een serieuze
poging is om nationaal-socialistisch toneel van de grond te krijgen blijkt ook uit de
begroting (zie bijlage 1).
Nu de zakelijke kant van het gezelschap enigszins duidelijk was geworden, was het van het
grootste belang, in verband met de toekenning van de subsidie, enige klaarheid te brengen in het
artistieke gedeelte van de onderneming. Er worden onderhandelingen gevoerd met Mien Duymaer van
Twist, Gusta Chrispijn-Mulder, Ank van der Moer, Willy de Vos-Dunselman, May Vollenga, Annie van
Duyn, Sheila Clarijs, Adri Dozy en J. Verstraete. De volgende acteurs zullen, aldus De Vos, zeker
tot het gezelschap toetreden: Jules Verstraete, Adriaan van Hees, Piet Rienks, Ton van Otterloo,
Ed. Palmers en Guus Oster. De medewerking van Jacq. de Haas, Cruys Voorbergh, Johan Fiolet, Just
Chaulet, Karel Baars, Jean Stapelveld en Tony Bok staat nog niet vast. 2 De
algehele leiding zal berusten bij Jan C. de Vos jr., die tevens een aantal regies zal doen.
Als regisseurs zullen verder optreden Adriaan van Hees en Cruys Voorbergh. Behalve in Utrecht zal
er ook gespeeld worden in Arnhem, Nijmegen, Den Bosch, Hilversum, Amersfoort, Zwolle,
Tilburg, Breda, Apeldoorn, Deventer, Den Haag en Amsterdam.
Toen deze plannen op papier stonden, werd het tijd om de hoogste baas van het departement, dr. Tobi
Goedewaagen, in te lichten. Deze draagt op 23 april 1942 De Vos op een gezelschap in Utrecht op te
richten. Tegelijkertijd gaan er twee brieven naar dr. ir. W.A. Herweijer, directeur-generaal van de
Nederlandsche Omroep. Omdat De Vos in april 1942 hoofdregisseur was geworden bij de Afdeling Hoorspelen,
wordt Herweijer in de eerste brief op de hoogte gebracht van de toneelplannen van De Vos.
Herweijer had ondertussen al via andere kanalen lucht gekregen van deze plannen 3 en
vreesde dat De Vos voor zijn nieuwe gezelschap de beste mensen van de Hoorspelkern zou
contracteren. Om deze eventuele leegloop tegen te gaan had Herweijer iedere acteur en
actrice een nieuw contract voorgelegd. De oude contracten, met een looptijd van 1 april 1942 tot
1 september 1942, werden gewijzigd in nieuwe, waarin de verbintenis met de radio
gecontinueerd werd tot en met 31 augustus 1943. In zijn tweede brief maakt Goedewaagen deze
nieuwe contracten ongedaan en hij verzekert Herweijer dat er genoeg goede spelers overblijven om
de Hoorspelkern te bezetten.
De zakelijke besprekingen kunnen nu worden voortgezet. Op 24 april 1942 worden door Frans Primo
en twee vertegenwoordigers van de gemeente Utrecht, de heren Terpstra en Van den Berg, de puntjes
op de i gezet. In de vergadering wordt het volgende afgesproken 4:
1. Er zal een Stedelijk Utrechtsch Tooneelgezelschap (voortaan SUT) worden opgericht.
2. Het SUT zal de vaste bespeler worden van de Utrechtse Stadsschouwburg.
3. Het nadelig saldo (fl. 252.000) komt voor 75% voor rekening van het Rijk en voor 25% voor
rekening van de gemeente.
4. Het personeel van het SUT (zowel artistiek, technisch en administratief) zal een
arbeidscontract krijgen voor een geheel jaar, waarin inbegrepen een vakantie van een maand.
5. Het personeel van het SUT zal eenzelfde behandeling krijgen als het gewone gemeentepersoneel.
6. Benoemingen, ontslagen en schorsingen zullen pas kunnen plaatsvinden na goedkeuring van Goedewaagen.
7. Het speelplan zal goedgekeurd moeten worden door de burgemeester en Goedewaagen.
8. Er zal een reorganisatie nodig zijn van de Raad van Bestuur van de Stadsschouwburg.
In ieder geval zal een vertegenwoordiger van het DVK zitting nemen in de Raad.
Toch blijkt een en ander niet zo probleemloos te verlopen zoals De Vos zich had voorgesteld.
Adriaan van Hees heeft zijn toezegging ingetrokken na een gesprek met Mussert.
Deze "had hem gezegd dat hij hem meer zag als een voordrachtskunstenaar dan als
acteur." 5 Bovendien was Van Hees, volgens Mussert, erg belangrijk voor
de NSB. Van de Leider krijgt Van Hees wel toestemming enkele stukken te regisseren en/of enige
rollen te spelen, maar van een vaste verbintenis aan het SUT als acteur/regisseur kan geen
sprake zijn. De andere gegadigden staan ook niet te trappelen van ongeduld. Cruys Voorbergh moet
nog steeds geëngageerd worden. Van Just Chaulet is nog steeds geen positief antwoord bij De
Vos binnen gekomen. Tony Bok heeft definitief afgezegd, hij blijft liever bij de omroep. Mien
Duymaer van Twist heeft het contract echter wel getekend. Ten lange leste besluit De Vos naar het
examen van de Amsterdamse toneelschool te gaan om zo enige jonge acteurs en actrices te
engageren.
Tussen alle besprekingen door heeft De Vos zijn keuze voor de première gemaakt. Gespeeld zal
worden Willem de Beier van J.W. van Cittert, dat al eerder was gepubliceerd in Onze
Eeuw, jaargang 1921. Adriaan van Hees zal de regie voeren.
Een week na de bespreking van Primo met de twee ambtenaren van de gemeente Utrecht komt
burgemeester Van Ravenswaay met twee voorstellen. Aan het afsprakenlijstje voegt hij toe dat het
gezelschap vier maal per week in de schouwburg moet spelen, en wel op vrijdag-, zaterdag- en
zondagavond. Op zondagmiddag zou er nog plaats zijn voor een vierde voorstelling.
Een gelijkschakeling van de medewerkers van het SUT met gemeenteambtenaren gaat hem te ver.
Het spreekt voor zich dat de belangen van de medewerkers van het SUT op een bevredigende
manier moeten worden opgelost. Van Ravenswaay denkt echter veel meer in de richting van de
arbeidcontracten, die de medewerkers bij de Nederlandsche Omroep hebben. Als
Herweijer bovendien toezegt dat de spelers van het SUT, die nu nog verbonden zijn aan de omroep,
per 15 juli vrijgemaakt zullen worden voor hun werk in Utrecht, lijkt niets de
première meer in de weg te staan.
Maar..... op 6 juni 1942 is de oprichting van het SUT van de baan. Wat overblijft is een armzalig
briefje van een ijverige gemeenteambtenaar aan F. Primo, met het verzoek de gemaakte kosten
(fl. 458,27) te vergoeden. Wat is er fout gegaan?
Naspeuringen in het DVK-archief geven niet de gewenste duidelijkheid. Zeker is dat begin
juni 1942 vanuit het DVK een aantal brieven wordt verzonden naar vooraanstaande NSB-ers in
Noord-Holland, o.a. S.L.A. Plekker en A.J. Bakker, met als inhoud de statuten van een nieuw op te
richten gezelschap, het Noordhollandsch Tooneel (voortaan NHT). Naar de redenen voor het niet doorgaan van de oprichting van het SUT kunnen wij slechts gissen.
Een mogelijkheid is dat Van Ravenswaay en Goedewaagen niet tot overeenstemming zijn gekomen over het
aantal speelmiddagen/ avonden en de sociale zekerheid van de medewerkers. Een andere mogelijkheid
is dat te veel toneelspelers zich hebben teruggetrokken. Een doorslaggevende reden zal dit
niet geweest zijn, omdat een groot aantal spelers en speelsters later deel uit zal maken van het
NHT. Een eventueel tekort aan spelers zou gemakkelijk aangevuld kunnen worden met een aantal
acteurs en actrices van De Voortrekkers, dat op dat moment nog slechts een zieltogend bestaan
leidt. Een derde mogelijkheid is dat er problemen zijn gerezen bij de regie van A. van Hees. Het
is heel goed mogelijk dat De Vos en Van Hees het niet eens konden worden over de artistieke koers
van het gezelschap. Het autoritaire optreden van Van Hees vormde ook al een bron van ergernis
binnen De Voortrekkers. Als laatste mogelijkheid zou men nog kunnen opperen dat de voorstellingen
van het SUT niet meer in te plannen waren in de reeks voorstellingen van de verschillende
schouwburgen, maar met steun van het DVK zou ook dit probleem opgelost kunnen worden.
Enig licht op de zaak verschaft een brief van Winkler aan De Ranitz, de opvolger van Goedewaagen.
In deze brief6 wordt de mogelijkheid geopperd dat Van Ravenswaay zich uit de
onderneming heeft teruggetrokken nadat hij inlichtingen had ingewonnen bij het Hoofdkwartier van
de NSB. Winkler sluit niet uit dat het hele plan om een nationaal-socialistisch gezelschap op te
richten door een actie van Van Hees is getorpedeerd. Het Stedelijk Utrechts Tooneelgezelschap
houdt op te bestaan voor nog maar één voorstelling is gespeeld. Jan C. de Vos jr.
zit echter niet bij de pakken neer en op 16 juni 1942 heeft hij een nieuw toneelgezelschap, het
Noordhollandsch Tooneel, opgericht. Dit toneelgezelschap zal zich ontwikkelen tot het
belangrijkste NSB-toneelgezelschap dat tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft opgetreden.
1 Brief van F. Primo aan C. van Ravenswaay, burgemeester van Utrecht. 17 april 1942.
RIOD, DVK-archief, 180 Ca.
2 De gegevens van de te engageren acteurs en actrices berusten op twee,
waarschijnlijk door De Vos opgestelde, toelichtingen bij de exploitatiebegroting voor het
Utrechtse gezelschap. Naast de al genoemde namen zijn door De Vos ook Jan Retèl of
(Henk?) Rigters, een zekere v.d. Linden en v.d. Werff op de begroting gezet.
Brief F. Primo aan C. van Ravenswaay, 17 april 1942, RIOD, DVK-archief, 180 Ca.
Exploitatie-begrooting Tooneelgezelschap Utrecht, (ongedateerd), RIOD, DVK-archief,
180 Cb.
3 De Vos had zelfs de administratieve krachten van de hoorspelafdeling een contract
aangeboden. Bij de radio was men dus op verschillende niveaus op de hoogte van de plannen van
Jan C. de Vos jr..
4 Brief Goedewaagen aan C. van Ravenswaay, 30 april 1942.
RIOD, DVK-archief, 180 Ca.
5 Brief Jan C. de Vos jr. aan F. Primo, 7 mei 1942.
RIOD, DVK-archief, 180 Ca.
6 Brief van Winkler aan De Ranitz, 17 februari 1943.
RIOD, DVK-archief, 180 Cc.
|