Artikelen

DE OORLOGSJAREN
auteur: André Veltkamp

Terug  « 

geplaatst:

" Delft.
Paarse violen gloeien in de zon.
Een smalle gracht weerspiegelt groene bomen.
Ik voelde dat ik niet rijker wezen kon, oh Delft.
De stilte van de hemel is tot mij gekomen.
Toen hoog en blij het klokkenspel begon,
liep ik in licht en koelte al te dromen.
Paarse violen gloeien in de zon
en klinkend is het bladerspel der bomen.
Heb dank voor zachte vrede
die ik won uit de zachte rimpelglimlach
van je oude dromen.
Die zoveel tonen van het carillon
als hemeldroppen op zich voelde komen.
Zijn dat misschien de parels van de bron,
waaruit je levenswijsheid is gekomen?
Staan daarom je violen zo gloeiend in de zon? "

mei 1943

Truus Dekker leest dit gedichtje voor uit een schriftje waarvan ik op afstand kan zien dat het authentiek is.
"Ik schreef dit gedichtje toen ik met Ton Lutz meeging naar zijn ouders in Delft", heeft ze vooraf verteld en ze wil het voorlezen om te illustreren hoe onbewust ze was van de politieke en maatschappelijke situatie. Maar ze voegt eraan toe: "Misschien was het meer dan naïviteit. Misschien was het omdat ik er niet aan wilde, aan de ellende van de oorlogsjaren en het goede van het leven wilde verdedigen.
" Rond de tafel zitten Truus Dekker, Ellen Vogel, Ton Kuyl, Ton Lutz en Egbert van Paridon. We praten over de Toneelschool tijdens de oorlogsjaren. Truus, Ellen, Ton Lutz en Egbert zaten bij elkaar in de klas en kwamen allemaal in 1942 op school. Ton Kuyl zat een jaar hoger. Hij kreeg in mei 1944 zijn diploma. Ton Lutz en Ellen Vogel verlieten de school zonder diploma in 1944, aan het begin van de hongerwinter. Truus Dekker werd in juni 1946 gediplomeerd, dezelfde maand waarin Egbert de school verliet, zonder diploma.

Egbert vertelt hoe hij en een aantal van zijn leeftijdgenoten vóór de oorlog gefascineerd waren door de grote nieuwe Europese bewegingen met sterke leiders. Vooral Mussolini intrigeerde hen. De binnenval van de Duitsers voelden zij als een positieve ontwikkeling. En zo dachten meer jongeren in die tijd. 'Nu zou het eindelijk eens afgelopen zijn met die duffe zooi in Den Haag' Ze bezochten in deze opgewekte stemming de vader van één van zijn vrienden en de man barstte letterlijk in huilen uit toen hij de jongens zo hoorde praten. Hij voorspelde dat het niet lang zou duren, voor ze op hun opvattingen terug zouden komen. Drie weken na de overgave was Egbert, met zijn politieke betrokkenheid, al tot inkeer gekomen. Het viel erg tegen met die Duitsers en hij besefte dat hij ernaast had gezeten met zijn optimistische verwachtingen. Onmiddellijk keerde zijn houding tegenover de bezetters radicaal om.

Daarmee komen we al vroeg in het gesprek op het politieke bewustzijn en nog meer op het niet-politieke bewustzijn van de toneelschoolleerlingen in die dagen. Ton Kuyl wil er absoluut iets als eerste over zeggen. "Toen ik op school kwam in 1941 hoorde ik, dat er twee meisjes niet meer op school mochten terugkomen of niet werden toegelaten, dat weet ik niet meer precies. Het was in ieder geval omdat ze joods waren.* Ik heb dat gewoon ter kennisgeving aangenomen. Geen woord van protest, bij niemand overigens. Ik verbaas mij er nog steeds over. Ik was volstrekt a-politiek, van de Kristallnacht had ik zelfs nog nooit gehoord. Dat verhinderde mij overigens niet om later samen met mijn klasgenoot Bob Goedhart, een joodse leerling, Siem Vos genaamd, als onderduiker in huis te nemen."
Truus Dekker en Ellen Vogel bevestigen Tons uitspraken. "We hadden geen benul geen flauw idee."

Dit onderwerp zal tijdens het gesprek regelmatig terugkeren. Wat voor besef hadden de studenten van de Toneelschool tijdens de oorlogsjaren van wat er zich buiten de school allemaal afspeelde? Was de school een eiland in een woelige en veelal barbaarse tijd? Ellen zegt dat die onbewustheid voor heel veel mensen gold. "Voor de oorlog was de belangrijkste zorg van de meeste mensen hoe ze brood op de plank kregen. Vervolgens werd ons land bezet en zette die zorg zich voort. Weinig mensen waren echt politiek bewust."
Voor Egbert van Paridon en Ton Lutz lag dat wat anders. Zij speelden beiden al toneel voor ze naar de Toneelschool gingen. Toen ze vanuit dat werk op 19 februari 1942 voor de keuze kwamen te staan om wel of niet voor de Kultuurkamer te tekenen, weigerden zij en beëindigden, gedurende de resterende oorlogsjaren, hun nog prille carrière als acteur. De leerlingen van de Toneelschool hebben zich die vraag nooit hoeven stellen, want zij waren vrijgesteld van het lidmaatschap van de Kultuurkamer.
Het blijft verwarrend. Sinds 15 september 1941 mochten joden niet langer naar schouwburg, bioscoop, museum, zwembad of park. Het werd joodse acteurs en artiesten verboden om op te treden. Het publiek trok zich daar allemaal weinig van aan. Veel podiumkunstenaars reageerden wel op de uitsluiting van hun joodse collega's, maar huldigden de achteraf naïeve gedachte dat ze hun joodse collega's dan beter (financieel) zouden kunnen ondersteunen. En dat gebeurde ook wel, maar dit idee zakte min of meer weg toen het getto-theater in de Hollandse Schouwburg op gang kwam. Daar mochten joodse acteurs immers wel spelen. Het moet ook gezegd worden, dat het verzet van de meeste acteurs en gezelschappen om zich in te schrijven bij de Kultuurkamer aanvankelijk groot was. Maar na een aantal dreigementen koos het merendeel toch eieren voor zijn geld, om welke reden dan ook. Soms lijken die redenen legitiem, zoals bij het voorbeeld dat Ton Lutz later in het gesprek vertelt. In de hal van de schouwburg van Antwerpen lag Mein Kamp te koop. De directeur in die dagen, Joris Diels, was getrouwd met de joodse actrice Ida Wasserman. Op deze manier wist hij zijn vrouw te redden van de vernietigingskampen.
Overigens houdt het gegeven, dat sommige acteurs wel en anderen niet getekend hebben, de gemoederen nog wel bezig. Ellen: "Ik heb grote bewondering voor hen die niet getekend hebben, maar het feit dat het theater in Amsterdam tijdens de oorlog gewoon doorging, is de redding van velen geweest." Egbert heeft daarentegen, na zijn weigering om te tekenen, gedurende de oorlogsjaren geen enkel theater meer van binnen gezien. In ieder geval is iedereen nu, 55 jaar later, zeer genuanceerd met oordelen over wie er toen zogenaamd 'goed' of 'fout' waren.

Waarom naar de Toneelschool?
Ton Lutz was in de eerste oorlogsjaren leerling-journalist. Omdat hij zich had voorgenomen een goed toneelcriticus te worden, meldde hij zich aan bij het Residentie Toneel in Den Haag, om repetities bij te wonen of misschien een klein rolletje te spelen. Ze moesten hem niet: 'er waren al genoeg non-valeurs '. Hij schreef schotschriftjes voor de Nederlandse Unie. "We waren met z'n allen niet zulke meelopers als later wel is gesuggereerd", zegt Ton. Het kantoor waar hij werkte werd door een NSB-knokploeg in puin geslagen en Ton meldde zich, nog trots op de blauwe plekken die hij had opgelopen, bij de Vereniging van Haagsche Spelers. Daar werd hij aangenomen als acteur. Zeventien keer speelde hij een rol in de Notre Dame van de sloppen , maar toen kwam de Kultuurkamer en het gezelschap hief zich op. Via de Nederlandsche Organisatie van Toneelspelers, intussen het toneelverzet, ontving hij een maandelijkse toelage van 75 gulden en met dat, geld meldde hij zich aan bij de Amsterdamse Toneelschool, zich nog steeds voorstellend dat hij op deze manier een goed toneelcriticus zou kunnen worden. Hij werd aangenomen en drie weken later besefte hij: dit is mijn leven, ik wil nooit meer iets anders.
"En toen zag je mij met mijn groene nagels en was je helemaal verkocht", vult Ellen Vogel lachend aan.
Ellen komt uit een theaterfamilie, maar ze had eigenlijk niet zoveel interesse in het toneel. Dat veranderde toen haar broer Albert op de Toneelschool zat. Opeens wilde zij ook en draaide haar belangstelling volledig om. "Ik wilde alle grote rollen spelen die er maar voor vrouwen geschreven waren!"
Truus herinnert zich dat ze een motivatie moest schrijven bij haar toelating. De anderen herinneren zich niets van een dergelijke toelatingseis, maar Truus heeft het nog in één van haar schriftjes staan. "Ik houd niet van mensen", schreef zij, "als ik toneel ga spelen, leer ik ze beter kennen en ga ik misschien meer van ze houden." Zij was net als Ton Lutz journalist en bezocht voor het Vrije Volk voorstellingen in de schouwburg. Ze mocht vijf-minuten-interviews houden met bekende en belangrijke acteurs. Ze verdiende er niets mee, maar ze werd zo gegrepen door het toneel, dat ze zelf actrice wilde worden. Ze deed toelatingsexamen en werd aangenomen.
Egbert had niet zoveel op met het grote schouwburgtoneel toen hij naar school kwam. Hij kwam uit de achtergrond van het Lekenspel van Anton Sweers en was vervuld van een idealistisch idee over theater. "Ik wilde iets moois maken", zegt hij. Hij voelde zich in het eerste jaar ook een beetje een vreemde eend in de bijt.
"Maar hij was beeldig als Hamlet", roept Ellen. "Zo mooi, zo mager!" In het eerste jaar voerde de klas het stuk van Shakespeare op en omdat Egbert, die toen al leed aan tuberculose, er zo breekbaar en mager uitzag, mocht hij Hamlet spelen. Egbert herinnert zich deze unieke acteerprestatie nog goed. Tijdens de voorstelling moest hij af, gaf in het toilet bloed op en ging weer terug naar de scène, zo mogelijk nog mooier en kwetsbaarder dan daarvoor.

De schooltijd
Ton Kuyl: "We waren hartstochtelijk in die tijd. We vulden al onze tijd met toneel, ook buiten de lessen. Nu was er verder ook niets te doen, dus stortten we ons op alles wat de school ons kon bieden. In een huis aan de Kerkstraat organiseerden we een soort workshop . Wij speelden en Ton Lutz regisseerde, geheel buiten de lessen om." "Dat was geen vrije tijdsbesteding, maar huiswerk", vult Ton Lutz aan en in zijn toon zit iets, alsof hij het klasje weer tot de orde wil roepen. Ze vormden een gesloten geheel, zo gesloten dat Truus zegt dat zij er zelfs last van had als er openbare presentaties waren en er mensen van buiten kwamen om te kijken.
Een aantal van hen, Ton Kuyl, Ellen Vogel, haar broer Albert en zus Tanja, de eerder genoemde Bob Goedhart en nog wat mensen leefden in een soort commune avant la lettre , in een huis op de Amsteldijk. Koud, weinig verwarming en met weinig geld. Iedereen leefde van een kleine ouderlijke bijdrage en van wat betaald werk, zoals het spelen in kindervoorstellingen. Ton Kuyl speelde mee in Sprookjes , het eerste cabaret van Wim Sonneveld met onder anderen Lia Dorana en Conny Stuart. Hij en Jack Dixon waren de gebroeders Grimm.
Ellen maakte kinderspeelgoed en beschilderde tegeltjes om wat bij te verdienen. Egbert weet nog dat Ton Lutz zo broodmager was, dat hij tijdens een dansles -ze leerden de wals -uitgeput onderuitging.
Via de school was er een soort fonds van waaruit studenten vrijgesteld konden worden van de betaling van het schoolgeld. Ton Kuyl: "Ik kreeg 25 gulden per maand van mijn ouders en betaalde 10 gulden per maand aan huur voor mijn kamer." Er hangt absoluut een romantische zweem van, 'we waren arm maar gelukkig' rond deze herinneringen, maar ik vermoed dat dat meer met het studentenbestaan te maken heeft dan met de oorlogsjaren. De leraren uit die tijd komen ter sprake. Er worden enkele namen genoemd: Cor Hermus, Richard Flink, Mascha ter Weeme, Lucas Wensing, August Defresne, Gusta Chrispijn, Frits Bouwmeester en Cor van der Lugt Melsert. "En de ouwe Veldkamp, die man was wel tachtig!", vult Ton Lutz aan. Sommigen herinneren zich van het eerste jaar dat het vooral bestond uit wachten op de docenten. Het openbaar vervoer was onbetrouwbaar en bovendien werden de docenten maar beperkt betaald voor hun onderwijs. Ellen weet nog heel goed, dat Richard Flink haar naar het tweede jaar heeft geholpen. Zij mocht niet over, maar Richard zette zich voor haar in en het lukte. 'Mijn duifje', noemde hij haar. Dat weten ze allemaal nog.
Frits Bouwmeester gaf les aan de hand van foto's van stukken waarin hij zelf had gespeeld. De enscenering moest letterlijk nagespeeld worden door de studenten. Zo kwam het, dat zijn spelaanwijzingen voornamelijk bestonden uit de voor de aanwezigen inmiddels gevleugelde woorden: 'pasje links, pasje rechts' Al pratende wordt duidelijk dat iedereen, behalve Truus Dekker, het onderwijs over het algemeen nogal mager vond, zeker in het eerste jaar. Sommige docenten komen er beter af. Vooral degenen die later in de opleiding les gaven, zoals Cor Hermus en Cor van der Lugt. Herhaaldelijk valt de naam van Claudine Witsen Elias, bijgenaamd 'de freule', zij was een superieure en moderne docente. Ze leerde de studenten wat er in en onder de tekst zat. Ze had een eenvoudige benadering en was daarmee haar tijd ver vooruit.

Men is vrij hard in het oordeel over de toenmalige directeur Jan Walch: hij was een kamergeleerde, een professor met weinig contacten in het beroepsveld en hij kon absoluut geen leiding geven. Truus Dekker, die meermalen laat blijken de schooljaren anders beleefd te hebben, benadrukt dat hij wel een goed docent was. Zij heeft de schriften met aantekeningen van zijn theatergeschiedenislessen als bewijs bij zich. Egbert zegt dat Walch zijn houding ten opzichte van de bezetter niet kon bepalen. "De man was bang", zegt hij. Ellen vult aan: "En terecht, er was ook alle reden om bang te zijn." Helemaal duidelijk wordt de positie en de rol van Jan Walch niet. Er wordt hoogstens een indruk gegeven over hoe de leerlingen in die jaren hun directeur ervaren hebben. Anderzijds weten we uit de archieven dat Jan Walch ook door de bezetter met schuine ogen werd bekeken en als 'jodenvriend' te boek stond.

Ongevraagd komt de oorlogssituatie terug. De school was een eiland.
Ellen Vogel: "Siem Vos moest plotseling een ster op. Siem was ouder en getrouwd en wij keken een beetje tegen hem op. We reageerden volstrekt impulsief op die ster. Ik zou samen met een vriendin wel even met Siem de stad in gaan om boodschappen te doen; hij gearmd tussen ons in. We wilden een soort daad stellen. Siem vond het allemaal niet zo'n goed idee en het ging niet door. Verder niets aan de hand en de volgende dag weer naar school."
Ton Kuyl: "In 1944 kwam ik van school af. Ik kreeg een engagement bij het Rotterdams Toneel, maar toen ik daar kwam, was er geen licht meer. Er kon niet meer gespeeld worden. Ik geloof dat toen pas het kwartje bij mij viel, over wat er aan de hand was."
Truus: "Ik was in Schoorl. Ik danste in een bar met een Duitse soldaat en vroeg hem wat ze nu eigenlijk van plan waren. 'We willen naar Engeland', antwoordde de soldaat en ik barstte in lachen uit. De omstanders schrokken van mijn reactie, maar ik begreep niet waarom."
Ellen: "Je kreeg wel steeds meer direct met de oorlog te maken. In het huis waar ik woonde samen met Hans Tobi op de Reguliersgracht, zaten boven ons Ferd. Sterneberg en een aantal joodse onderduikers. Beneden woonde een echtpaar dat 'fout' was. Om die reden was het een ideaal onderduikadres."
Iedereen herinnert zich het huis. 's Avonds verzamelde men zich daar, vooral om één voor één naar de wc te gaan, want dat gaf de onderduikers ook de mogelijkheid om naar het toilet te gaan. De onderbuurvrouw reageerde wel met de opmerking dat Ellen en Hans te veel bezoek hadden, dat ook nog te veel naar de wc ging.
Ellen zegt tegen Ton Kuyl: "Weet je nog, één van die doorwaakte nachten, waarin we boven op het dak van het huis zaten na een feest - ja, we feestten regelmatig met niets - we hoorden de trams van de Hollandse Schouwburg naar het Centraal Station rijden. We wisten dat ze vol met joden zaten. Maar we wisten niet dat ze vergast zouden worden. We dachten: ze gaan naar een of ander werkkamp. De volgende dag gingen we weer onbekommerd naar school."
Egbert: "Ik heb een groot deel van de oorlog, dat wil zeggen vanaf '43, in een sanatorium doorgebracht en ben na de oorlog weer teruggekomen op de Toneelschool. Maar ik herinner me wel hoe Hans Tobi zijn toenmalige vriendin Els Keezer, die opgepakt was door de Duitsers, achterna is gereisd. Hij reisde mee tot aan de grens van Polen. Hij wist heel dicht bij haar te komen, maar uiteindelijk is het hem niet gelukt haar terug te brengen."

De school wordt in dit gesprek vaak omschreven als 'een eiland', maar toch werd 'het eiland' een keer nadrukkelijk door de bezetter betreden.
Ton Lutz: "Ik had een bijbaantje als hulpambtenaar in Delft. Ik hield me bezig met persoonsbewijzen en vingerafdrukken. Met medeweten van een ambtenaar stal ik een aantal persoonsbewijzen en stempels. Als er iemand dood ging, kreeg een onderduiker een persoonsbewijs op naam van de overledene. Een joods echtpaar werd opgepakt en ondervraagd en zij noemden als betrokken persoon een jongen van de Toneelschool. De SS kwam op school en vroeg naar een jongen uit Delft. Ik werd meegevoerd naar Den Haag, naar het hoofdkwartier van de SS."
Op Egberts vraag wat Jan Walch toen deed antwoordt Ton: "Niets, maar ik neem het hem niet kwalijk."
Ton kwam in de cel en werd een aantal malen ondervraagd. Op een gegeven moment begon hij tegen de SS-officier te schreeuwen en te huilen en riep hij dat hij er allemaal niets mee te maken had en dat hij toneelspeler wilde worden. Dat hielp; de officier gaf hem geld voor de treinreis en liet hem gaan.
Ton vertelt ook, dat Truus Dekker nog een rol in het verhaal speelde. Toen de SS de school binnen kwam, heeft hij haar gevraagd de persoonsbewijzen en stempels uit de klok in zijn huis weg te halen. Zij deed dat onmiddellijk en wierp het belastend materiaal onderweg naar huis intuïtief in de Zaan. Terwijl Ton het verhaal vertelt, lijkt Truus het zich te herinneren, maar ze geeft niet de indruk dat ooit als een daad van verzet gezien te hebben.
De twee jongens waarmee Ton in de cel had gezeten, zijn wel geëxecuteerd. Na de oorlog deed hij o p 4 mei mee aan een herdenkingsbijeenkomst. Hij zou een vers voordragen. Tijdens de generale kwam een vrouw met een kind van ongeveer vier jaar naar hem toe. Zij bleek de vrouw van één van zijn geëxecuteerde celgenoten. Toen pas kwamen de emoties en de angst volledig bij hem boven. Hij heeft sindsdien ook nooit meer iets voorgedragen op 4 mei.

Het verhaal van Ton veroorzaakt een stilte die gevolgd wordt door de roep dat er ook veel gelachen is. "De school was een droomwereld, een vrijhaven, een onderduikadres."
"De banden waren sterk." "Uiteindelijk waren we zondagskinderen." "We hielpen elkaar er doorheen. Met alles wat er niet goed was, misschien geforceerd door de omstandigheden, was er veel kameraadschap."

Ik vraag of die saamhorigheid hen later in hun werk nog wat heeft opgeleverd.
Als ze elkaar weer zien, dan is het weer als vroeger, antwoorden ze. En een aantal van hen heeft regelmatig met elkaar gewerkt, maar een vaste groep of iets dergelijks is er niet uit voortgekomen. "Soms meed je elkaar, juist vanwege de herinnering", zegt Ellen Vogel. Zij had het er onlangs nog over met Ton Kuyl, hoezeer zij aanvankelijk de oorlog toch verdrongen hebben. Ton Kuyl: "Bij mij kwam eigenlijk pas in 1975 alles weer boven. Een bekend verschijnsel overigens, dat ook heel veel voorkwam bij joden die de oorlog overleefd hadden. Maar ja, wij hadden in verhouding met hen niets meegemaakt. Vlak na de oorlog kwam gewoon het volle leven terug. Pas veel later voelde je je weer teruggeworpen en kon je plotseling in snikken uitbarsten."
Ton Kuyl ging na drie seizoenen bij het Volkstoneel gespeeld te hebben naar Parijs. "Ik wilde de zwartheid van de hongerwinter achter mij laten en mijn vleugels uitslaan, de wereld zien." Hij heeft zes jaar in Parijs gewoond en gewerkt en veel gespeeld in de tijd die we nu het postexistentialisme noemen.
Het wordt duidelijk dat de Toneelschool gedurende de oorlog maar een hele korte tijd gesloten is geweest. Een periode in de hongerwinter, omdat er niets meer was. Ellen herinnert zich dat ze juist in die tijd weer een beetje was opgeknapt en wat lessen heeft gehad van Cees Laseur. Ze weet dat nog zo goed, omdat Cees Laseur sigaretten van het merk North State rookte en grote peuken in de asbak achterliet, waar de leerlingen vervolgens op af vlogen. In ieder geval, na de oorlog ging de school meteen weer open. Truus deed eindexamen in 1946, in de Stadsschouwburg. Dit examen heeft nog de kranten gehaald, omdat het tot een leerlingenstaking leidde. De kandidaten weigerden te spelen, omdat er helemaal niets was: zelfs geen kostuums. De leerlingen werden geschorst, maar in september van dat jaar werd het examen herhaald. Egbert richtte een vereniging van leerlingen op: De Vereniging der studenten van de Rijksacademie van Beeldende Kunsten, het Muziekconservatorium en de Toneelschool te Amsterdam. Hij werd de eerste voorzitter. Twee opzienbarende gebeurtenissen: de eerste studentenstaking en de komst van de eerste studentenwoordvoerder.

Na de oorlog ontstond in de toneelwereld de strijd tussen hen die niet getekend hadden voor de Kultuurkamer en de 'doorspelers'. Er moest 'gezuiverd' worden en er vonden schorsingen plaats. Uiteindelijk liep dat allemaal met een sisser af, maar de tweespalt heeft nog lang doorgewerkt. De studenten van toen hadden hier allemaal weinig mee te maken. De Kultuurkamer hield na 'dolle dinsdag' (5 september 1944) op te functioneren. Afgestudeerden als Ton Kuyl kregen net als ieder ander die van school kwam een contract bij een gezelschap. Maar toen kon er niet meer gespeeld worden; aan alles was gebrek. Na de oorlog verbeterde de situatie voor de acteurs en de gezelschappen. Er kwamen subsidieregelingen, die voor een deel van de Duitsers werden overgenomen. Bovendien waren de mensen uit het verzet een sterke impuls voor de verbetering van de sociale omstandigheden van de acteur.
"Het vreemde aan de Duitsers was, dat zij een ander soort waardering voor kunstenaars hadden", zegt Egbert van Paridon. Hij zat tijdens de oorlog eens in de trein naar Weesp en hij sprak met een paar anderen over het enige wat hen begeesterde: het toneel. Een Duitse soldaat zat, zij stonden. Op een gegeven moment stond de soldaat op en vroeg of zij kunstenaars waren. Wat stotterend antwoordde Van Paridon dat zij toneelspelers waren. De soldaat bood hem onmiddellijk zijn zitplaats aan.
Ellen weet te vertellen dat de nieuwe en succesvolle toneelgroep Comedia, waar zij destijds speelde, was opgebouwd met 'gewetensgeld' van zwarthandelaren die hun centen kwijt moesten. De 'goede' gezelschappen kregen subsidie, de anderen moesten het zelf doen. Cor Hermus vond de weg naar de zwarthandelaren en wist op die manier één van de beste gezelschappen op poten te zetten. Ellen herinnert zich een première, waarna zij allen werden uitgenodigd in een restaurant en biefstukken geserveerd kregen. "Geld van de zwarte handel", zegt ze nog eens triomfantelijk. "Waar konden die handelaren immers hun geld beter aan uitgeven dan aan de kunst?"

De status van de acteur
We hebben het even over de status van de acteur voor en na de oorlog. Voor de oorlog had de acteur eigenlijk geen status, men speelde voornamelijk op partage , waarbij in de pauze de recette onder de acteurs werd verdeeld. Na de oorlog ontstond er een grotere status, in ieder geval financieel. Het gaat even over de waardering van het publiek, waarbij iedereen toch wel het idee heeft dat bepaalde acteurs van bepaalde gezelschappen, zoals de Nederlandse Comedie, wel een soort 'sterrenstatus' hadden.
Ton Kuyl: "Acteur zijn is een geïsoleerd en elitair bestaan. Maar status?" v

Het gesprek loopt ten einde. De begin vraag over de Toneelschool als eiland komt nog even terug.
Ellen: "Terugkijkend was de school in die tijd inderdaad een eiland. De blik was naar binnen gericht, omdat de blik naar buiten verduisterd werd."
Ton Lutz: "Misschien is dat nu op een bepaalde manier nog wel zo. Maar nu vluchten studenten voor de massacommunicatie om op school ten minste van binnen nog een beetje mens te worden. De kern is veranderd, maar het wezen niet."
Ellen: "Die saamhorigheid is nodig. Op de Toneelschool ruik je in ieder geval een beetje aan het vak en krijg je enig besef van waar toneel over gaat. Al valt natuurlijk nooit onder woorden te brengen wat toneelspelen nu eigenlijk precies is."
"Het heeft zijn voor- en nadelen", mompelt Ton Kuyl. "Je moet je op school volledig kunnen concentreren op het vak, los van de buitenwereld."
Ton Lutz: "Op school kom je voor de tweede keer los van de navelstreng. Dat wezen is niet veranderd."
Egbert: "En heel soms komt er een bericht vanaf het eiland, bijvoorbeeld de Actie Tomaat, en dan ervaart het vak, het werkveld, het ook als een bericht van een eiland."


*) Het grote zwarte boek waarin alle ingeschreven studenten aan de Amsterdamse Toneelschool vanaf de eerste dag handgeschreven vermeld staan, vertelt ons: Elza Hoek, Hetty Bloemgarten en Siem Vos hebben in september 1941 'als niet arisch' de school verlaten. Siem Vos overleefde de oorlog niet. Bij toeval heeft Ton Kuyl Hetty Bloemgarten later in zijn Parijse tijd ontmoet en hebben zij nog samen audities gedaan. Zij overleefde de oorlog en dat gold ook voor Elza Hoek, die nu in Engeland woont.

 

Terug  «