Artikelen
TONEEL VOOR BLOED EN BODEM
auteur: Henk van Gelder
|
Terug «
geplaatst: 3 september 2003
|
Eerder gepubliceerd in:
NRC Handelsblad van 04-05-2001 Pagina 19 CS Achtergrond
Toneel voor bloed en bodem
door Henk van Gelder

|
| Willy de Vos-Dunselman en Jan C. de Vos in Rose Bernd van Gerhard Hauptmann
door het Noord-Hollandsch Tooneel, tijdens de feestelijke voorstelling t.g.v. de tachtigste
verjaardag van de auteur op 13 november 1942. Foto: J.C. Stevens (foto: Theater Instituut Nederland). |
Het Noord-Hollandsch Tooneel, geleid door NSB'er Jan C. de Vos, moest
tijdens de Duitse bezetting 'volkseigen, raszuivere' stukken gaan brengen.
De kritiek was genadeloos en het publiek bleef thuis.
De programmablaadjes zijn onooglijk: dunne velletjes blauw papier, in
tweeën gevouwen ter grootte van een briefkaart. Ze vermelden de auteur
van het stuk, de vertaler, de rolverdeling en de korte inhoud. Op de voorkant
staat de naam van het gezelschap, op de achterkant prijken pasfotootjes
van de acteurs. Dat is alles. En toch was het Noord-Hollandsch Tooneel
het enige theatergezelschap dat tijdens de Tweede Wereldoorlog door het
rijk werd gesubsidieerd. Het stond in het teken van 'de nieuwe tijd' en
onder leiding van een acteur en regisseur die NSB'er was.
Jan C. de Vos jr was, blijkens de zinsneden die in vooroorlogse kritieken
aan hem werden gewijd, geen groot toneelspeler, maar wel een geschikte
kracht voor de betere bijrollen. Zijn vader, Jan C. de Vos sr, had het
als toneelleider en docent aan de Amsterdamse toneelschool verder geschopt
dan hij. Ambitieus was hij echter wel. Hij wilde, zei hij eind jaren twintig
in de Amsterdamsche Dameskroniek, 'regisseur worden en tooneel-directeur,
maar dan met ontheffing van alle financieele zorgen.'
Waarom hij lid van de NSB werd, is niet bekend. Hij was er, hoe dan ook,
snel bij: al in 1933, twee jaar na de oprichting, werd Jan C. de Vos jr
artistiek leider van het door de NSB gefinancierde gezelschapje Fascio,
dat op een fiasco uitliep. Voor lege zalen speelde men het ideologische
De dag die komt van de latere nazi-dichter George Kettmann. Zelfs diverse
acteurs beschouwden het stuk als een lor. Prompt werd Fascio, dat tot
in zijn naam naar het fascisme verwees, opgeheven. Na enkele omzwervingen
trad Jan C. de Vos jr vervolgens in dienst bij het Residentie Tooneel
in Den Haag. De collega's, onder wie veelbelovende jongeren als Caro van
Eyck en Paul Steenbergen, waren op de hoogte van zijn politieke geaardheid.
Maar hij droeg zijn NSB-speldje aan de binnenkant van zijn revers en riep
niet meer, zoals bij Fascio, dat het tijd werd 'die jodenkliek' bij het
toneel weg te trappen.
Omroepspelers
Toen het land eenmaal bezet was, behoefde hij zich echter niet meer in
te houden. Caro van Eyck, die een joodse vader had, schreef in haar memoires
dat Jan C. de Vos en zijn vriendin, de actrice Willy Dunselman, meteen
begonnen te stoken tegen alles wat joods was. Maar de leiding van het
Residentie Tooneel trachtte, zo goed en zo kwaad als het ging, politiek
neutraal te blijven - net als alle andere toneelgezelschappen in die tijd.
De twee NSB-acteurs werden door hun collega's geïsoleerd. In de loop
van 1941 vonden De Vos en Dunselman, die intussen zijn vierde vrouw was
geworden, emplooi op de hoorspelafdeling van de nazistische Nederlandsche
Omroep. Bovendien vormden ze onder de naam De Omroepspelers een groepje
dat met een voorstelling door het land reisde. Tot de omroepdirectie klaagde
dat zulke tournees ten koste gingen van het werk voor de radio. De acteurs
moesten kiezen tussen radio en toneel - en toen had De Vos een idee.
Hij kwam als geroepen. Een gezelschap dat zich actief zou inzetten voor
het volkseigene, raszuivere toneel, was van harte welkom bij het nieuwe,
door NSB'ers geleide Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten in
Den Haag. Moeiteloos wist De Vos een subsidie van 250.000 gulden per jaar
te verwerven een fenomenaal bedrag, waarmee het Noord-Hollandsch Tooneel
bovendien het enige toneelgezelschap met rijkssubsidie werd. De reguliere
gezelschappen konden in die tijd slechts een beroep doen op gemeentelijke
en provinciale steun.
Zo kon De Vos in het najaar van 1942 beginnen. Hij verzamelde circa twintig
acteurs, voornamelijk leden of sympathisanten van de NSB met wie hij eerder
bij de hoorspelkern van de Nederlandsche Omroep had gewerkt. Hij besefte,
blijkens zijn correspondentie met het Departement, dat zij niet de beste
toneelspelers van het land waren. De betere acteurs bleven liever bij
hun eigen gezelschappen en keken De Vos en de zijnen met de nek aan. Of,
zoals het door de NSB uitgegeven Nationale Dagblad het een halfjaar later
formuleerde: "De toneelspelerswereld zat nog te veel vastgeroest
in het oude om met Jan C. de Vos te willen samenwerken.''
Brandbrief
Eigenlijk wilde het Noord-Hollandsch Tooneel, dat kantoor hield aan de
Lange Begijnestraat 13 in Haarlem, vooral nieuw Nederlands werk spelen.
Daarin zou immers bij uitstek tot uiting kunnen komen in welke richting
het Nederlandse volk voortaan werd geacht te denken. Bij gebrek aan zulk
repertoire greep De Vos voor zijn eerste première echter terug
op het uit 1918 daterende De Witte van Haemstede van de historische streekschrijver
J.W. van Cittert. Het ging over de zoon van Floris V, die in 1304 de opmars
van de Vlamingen in Holland wist te stuiten en de adel ergerde door zijn
nauwe contacten met het gewone volk. Het genre van de geromantiseerde
vaderlandse geschiedenis paste in de nazistische ideologie; het versterkte
de band van het arische volk met zijn grondgebied.
Maar de kritiek had er, ondanks de zelfcensuur in de kranten, nauwelijks
een goed woord voor over. De recensies waren dermate negatief, dat De
Vos op 24 september 1942 een brandbrief stuurde aan prof.dr. T. Goedewaagen,
secretaris-generaal van het Departement. Hij drong erop aan "dat
door u maatregelen worden getroffen waardoor het den heeren critici onmogelijk
wordt gemaakt op een dergelijke niets-ontziende wijze een werk van een
Nederlandsch tooneelschrijver, dat door inhoud en opvoering een diepen
indruk heeft verwekt op het aanwezige publiek, af te breken''. En hij
wist, zo voegde hij eraan toe, ook wel een oplossing: "Ik mag hier
misschien verwijzen naar de desbetreffende regelingen en verordeningen
zooals die door den Reichsminister Goebbels in Duitschland werden getroffen,
waarbij het verboden is in couranten en periodieken kritiek te geven,
daar deze alleen is toegestaan in de vakbladen.''
Meteen deed zich ook een ander probleem voor: er kwam geen mens naar De
Witte van Haemstede kijken. In een met Heil Hitler! ondertekend briefje
aan het huisadres van Goedewaagen hield De Vos er op 5 december 1942 niettemin
de moed in: "Tenslotte is het een groote troost voor ons allemaal
dat zelfs de Führer in den aanvang geen volle zalen vermocht te trekken.''
Maar van een andere kant bereikte Goedewaagen in diezelfde maand een minder
hoopgevend bericht. Frans Primo, hoofd van de afdeling theater en dans
op het ministerie, was door De Vos gevraagd om Philoktetes te komen regisseren.
In een nota met het stempel 'geheim' concludeerde Primo dat deze hoge
kunst voor acteurs als Willem van der Veer, Ton van Otterloo en Carl Veerhoff
veel te hoog gegrepen was. "Technisch schoten zoowat allen te kort,''
schreef hij. "Ik begon de repetitie vol goeden moed, maar... werd
alras ontgoocheld; blijkbaar niemand had ook iets aan zijn rol gedaan;
alles wat geleerd was, was alweer vergeten; Van der Veer struikelde weer
over alles en nog wat, kon de Grieksche namen alweer niet zeggen zonder
stotteren, was zijn standen en houdingen vergeten... het was hopeloos...''
Philoktetes ging niet door. In plaats daarvan zette De Vos een minder
lastige klassieker op zijn repertoire: Rose Bernd van de Duitse naturalist
Gerhard Hautpmann. Hoewel er geen kritieken bewaard zijn gebleven, is
te bedenken dat dit plattelandsdrama zich naar zijn mening wel leende
voor het accentueren van enige Blut und Boden-sentimenten. Maar ook zijn
kameraden vonden het een mislukking. Het gebodene was 'uitzichtloos en
volksvijandig', rapporteerde Max Wolters, waarnemend hoofd theater en
dans, aan zijn superieuren. "Ook als stuk uit het toneelmuseum was
de voorstelling waardeloos, aangezien zij zeer slecht was verzorgd, belachelijke
aankleding en zeer slecht spel, vooral van de hoofdvertolkster.'' Die
hoofdvertolkster was Willy Dunselman, de vrouw van De Vos, die zelf de
mannelijke hoofdrol speelde.
Verder speelde het Noord-Hollandsch Tooneel in dat eerste seizoen het
Duitse blijspel Watersport, door Wolters beschreven als 'een onbetekenende,
fabrieksmatige, vaak zeer laag bij de grondse comedie', en het nieuwe
stuk Dorp in onrust van de Brabantse streekromancier Kees Spierings, die
daarmee een toneelschrijfwedstrijd van het Departement had gewonnen. Wolters
noemde het 'een dilettantisch maakwerk' en zelfs het geestverwante Nationale
Dagblad liet er geen spaan van heel. In een woedende brief klaagde De
Vos intussen dat Wolters 'geen verstand van tooneel' had, en dat het ministerie
nog altijd niet bereid was "de pers te beteugelen en op de wenschelijkheid
te wijzen het N.H. Tooneel te steunen.'' Maar ook dat hielp niets.
"Dit gezelschap, dat met een zeer toe te juichen opzet begon, is
bezig af te glijden naar het plan van vrij onbeduidend amusementstooneel,''
meldde prof. dr G.A.S. Snijders, president van de Nederlandsche Kultuurraad,
in een advies aan het Departement. Zo ging het niet langer, vond ook jhr
S.M.S. de Ranitz, die Goedewaagen opvolgde als secretaris-generaal. De
Vos wilde wel toegeven dat sommige acteurs 'bepaald onvoldoende prestaties'
hadden geleverd. "Niet altijd zijn talent en geestdrift gelijk aanwezig'',
schreef hij in een brief die beterschap beloofde. Desondanks werd de subsidie
voor het nieuwe seizoen gehalveerd. Het ministerie betaalde voortaan nog
maar 70.000 gulden, en de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlem
beloofden dat bedrag aan te vullen tot 125.000 gulden. Op voorwaarde dat
het Noord-Hollandsch Tooneel 'zoowel kasstukken als stukken met nationaal-socialistische
strekking' zou spelen.
In het najaar van 1943 zag het er derhalve slecht uit. Nog steeds wisten
veel schouwburgdirecteuren uitvluchten te verzinnen om het gezelschap
niet in huis te halen. Voorts zegde de actrice Mien Duymaer van Twist
haar dienstverband op. Zij was de enige die doorgaans werd geprezen, en
ook de enige die na de oorlog nog een respectabele toneelcarrière
had. Na onderzoek door een externe accountant bleek bovendien dat het
in de boekhouding wemelde van de telfouten, foutieve boekingen en afwezige
kasbewijzen.
En nieuwe acteurs waren bijna niet te vinden. De situatie was dermate
nijpend, dat zakelijk leider Carl Veerhoff aan het ministerie toestemming
vroeg of hij de halfjoodse Adolphe Engers mocht engageren. "De man
is niet arisch'', gaf Veerhoff toe, "maar is en blijft een uitstekend
toneelspeler.'' De Vos, die een paar dagen wegens ziekte niet op kantoor
was geweest, sprong uit zijn vel toen hem een kopie van het verzoek onder
ogen kwam. "De bezwaren tegen Engers zijn te groot om hem aan ons
gezelschap te verbinden'', liet hij onverwijld weten. "Het hele geval
berust op een misverstand.''
Met twee Duitse blijspelen en Twee edellieden van Verona van Shakespeare
begon het Noord-Hollandsch Tooneel het nieuwe seizoen. Buiten het reguliere
theatercircuit, waar hij nauwelijks welkom was, had De Vos een tournee
geboekt bij de naar Duits model ingerichte vakbond Vreugde & Arbeid
en ook voor de NSB kon hij een paar keer optreden. Toen het ministerie
voorzichtig informeerde of zulke engagementen de naam van het gezelschap
zouden schaden, antwoordde Veerhoff cynisch: "U behoeft ook niet
bang te zijn dat het overige publiek om die maatregelen wegblijft, want
dat publiek is zóó gering, dat de grootere toeloop van de
zijde der NSB daar ruimschoots tegen opweegt.''
Maar de tournee voor Vreugde & Arbeid werd een lijdensweg, rapporteerde
De Vos na afloop: "Wij speelden o.a. te Treebeek, waar wij na de
voorstelling anderhalf uur met onze koffers moesten loopen naar Heerlen;
te Oss moest ik het publiek onder het spelen tot stilte aanmanen, daar
in de zaal geen orde werd gehouden; te Zaandam moest ik kort na het begin
het doek laten zakken wegens de herrie in de zaal, waar niets tegen gedaan
werd; te Leidschendam vatten leden van ons gezelschap kou, daar er geen
verwarming was; te Venlo was onvoldoende toezicht gehouden wie de zaal
binnenkwam en zoodoende had men een bende zigeuners binnengelaten om onze
voorstelling te saboteeren; te Nieuwe Pekela moesten de mannelijke leden
van het gezelschap den nacht doorbrengen op stoelen in de eetzaal omdat
de wagen niet gekomen was, die hen naar hun nachtlogies zou brengen; te
Delfzijl was niet voor een maaltijd gezorgd'' enzovoorts, enzovoorts.
Gesjoemel
Het werd steeds erger. Zelfs de ambtenaren van het ministerie kwamen niet
meer opdagen op de premières waarvoor ze waren uitgenodigd. In
arren moede begon De Vos brieven aan het Departement te schrijven waarin
hij zakelijk leider Veerhoff beschuldigde van gesjoemel met geld. Veerhoff
schreef daarop dat De Vos fraudeerde ("platweg uitgedrukt: hij heeft
gegapt''), als regisseur niet deugde en trouwens ook een rokkenjager was:
"Hij heeft vrouwelijke leden van het gezelschap tot onzedelijke handelingen
trachten te verleiden, heeft solliciteerende dames gemolesteerd, waardoor
deze rechtsomkeert maakten op den weg om te trachten bij ons emplooi te
vinden.''
Ten slotte werd De Vos in februari 1944 als intendant ontslagen. Veerhoff
mocht blijven, en de oude Willem van der Veer, die in het begin van de
eeuw nog bij Heijermans had gespeeld, trad voorlopig op als artistiek
leider. Zo reisden de schamele resten van het Noord-Hollandsch Tooneel
in de vroege zomer van 1944 in een met paarden bespannen woonwagen van
Vreugde & Arbeid om te spelen voor de polderjongens die bezig waren
de Noordoostpolder te ontginnen. Bewonderend beschreef de collaborerende
krant Het Volk hoe Van der Veer daar eigenhandig met de pollepel in een
grote gamel met snert stond te roeren. Tegelijk schold Veerhoff zijn nieuwe
leider in geschrifte uit voor 'een dom groot blok'.
Maar in feite was het toen al voorbij. Secretaris-generaal De Ranitz velde
een keihard oordeel: "Het aanzien van de subsidiegevers en - wat
veel erger is - van het Nationaal-Socialisme in tooneelkringen is door
het artistiek optreden van het Noord-Hollandsch Tooneel eer geschaad dan
gebaat.'' Officieel werd het gezelschap op 15 september 1944 geliquideerd,
toen de opmars van de geallieerde troepen op het vasteland al drie maanden
gaande was.
Jan C. de Vos jr werd na de bevrijding voor tien jaar geschorst en vluchtte
met zijn vrouw naar Berlijn, waar hij in 1959 stierf. De andere acteurs
kregen een speelverbod van vijf jaar opgelegd, maar kwamen ook daarna
zelden of nooit meer aan de slag. Veerhoff had het in januari 1944, in
een benard briefje aan Wolters, al voorzien: "Onze gages zijn behoorlijk,
maar daar is dan ook de kous mee af. En als het dit jaar eindigt, staan
wij hopeloos van God en alle menschen verlaten op de keien.''
Met dank aan het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie en het Theater Instituut Nederland.
Op dit artikel berust copyright! © 2001, Henk van Gelder
|